Quantcast

Pepijn Lanen over zijn innige liefdesrelatie met thee

Pepijn Lanen

Het eerste wat Yayo leerde koken was thee. Hij is nog steeds zo verslingerd aan het drankje dat hij met gemak een aantal dagen door Brussel zwerft op zoek naar de perfecte soort oolong. Hier vertelt hij ons hoe dat komt.

Al zo lang ik me kan herinneren drink ik thee. 's Ochtends bij het ontbijt earl grey met een geroosterde boterham en aan het einde van de schooldag met een koekje. Mijn vader maakte het voor mijn moeder met melk in zo'n Frans kommetje en voor zichzelf met suiker, wat hij erin roerde met een van de theelepeltjes uit zijn gigantische collectie theelepeltjes. Die had hij vergaard op rommelmarkten en andere plekken waar men tweedehands theelepeltjes placht te vinden. Nog altijd trouwens. Mijn favoriete theelepeltje was het enige bronskleurige lepeltje en had een afbeelding van Shiva aan de bovenkant, maar dat zei me toen nog niks. Ik dronk in die jaren mijn thee met melk en suiker en de sky was de limit. Thee was het eerste wat ik leerde koken, met een theeketel op het gasfornuis, zonder zo'n fluit ding want dat hadden we niet.

Later had ik een waterkoker op mijn kamer, geërfd van mijn grootmoeder, zodat ik tijdens het blowen kopjes thee kon drinken zonder helemaal naar beneden te hoeven lopen. Ik waande mij een miljonair.

Alle foto's door Rebecca Camphens

Ik werd beste vrienden met Jeroentje en alhoewel ik altijd al thee had gedronken leerde hij mij een nieuw soort thee drinken kennen. Het 'kopje thee' drinken. Ineens was elk kopje weer speciaal en met minimale middelen maakte je een moment heel even bijzonder, hoe vluchtig ook.

Ik dronk voor het eerst lapsang souchong op het zuidelijke eiland van Nieuw-Zeeland en it blew my mind.

Ik was twintig toen ik me voor het eerst besefte dat groene thee helemaal niet zo heel groen was. Ik woonde op mezelf en ik had niet veel maar wel nog steeds die oude waterkoker en altijd wel een kopje thee. Toen kwam de flirt met koffie. Ik kon nooit goed tegen cafeïne, net als mijn vader, die daarom ook altijd alleen maar thee drinkt. Ik werd er onrustig en licht paranoïde van.

Ik dronk van tijd tot tijd wel eens cappuccino, maar daar bleef het dan ook bij. Toch raakte ik volledig verzeild in de duistere grip van de koffieboon. Het begon met luchtig opgeklopte melk met wat basterdsuiker eroverheen gekruimeld. Voor ik het goed en wel door had, was ik veranderd in een van die zombies die nadat de wekker gegaan is eerst met gesloten ogen naar de keuken strompelt en met koffiefilters gaat staan piemelen voordat hij het überhaupt op kan brengen om de dag onder ogen te komen en zich te belasten met triviale zaken als plassen en/of waterdrinken, laat staan communiceren of meedoen aan de wereld.

Ik veranderde binnen afzienbare tijd in een cafeïne-junk. Het kon me niet vroeg genoeg beginnen en niet zwart genoeg worden. Als ik geen ongemakkelijke samentrekkingen in mijn maag voelde dan leefde ik niet. Hoe harder ik ging hoe productiever ik werd. Een emotieloze to-do-listmachine. De ene zwarte koffie na de andere dubbele espresso. De pijn in mijn hoofd en gebit nam ik als signaal dat ik lekker bezig was.

Het kopje thee werd een nagedachte; als het sigaretje dat je rookt halverwege een gram haze of de slordige gedraaide King Hassan die rond gaat terwijl je bij iemand op de bank zit met je mondhoeken naar beneden getrokken en het buiten alweer de volgende dag is. Ik liet geen e-mail onbeantwoord, geen opdracht on-ingeleverd en geen woord ongesproken, maar had ook geen ziel meer.

Op het moment dat ik voor het eerst vader ging worden besloot ik ergens halverwege solidair te zijn met mijn vrouw en de alcohol te laten. Ook werd het hoog tijd om eindelijk eens een echt boek te schrijven en te publiceren. Mijn grootste angst was dat ik tijdens het maken de continuïteit zou ontcontinuëren door eigen toedoen, en de boel zou ontsporen. Om zoveel mogelijk in dezelfde state of mind te blijven tijdens het schrijfproces, gaf ik de koffie weer terug aan de schaduw. Ineens was mijn leven weer zacht en verfijnd en delicaat. Ik stond vroeg op in de morgen terwijl mijn vrouw nog sliep en schreef beneden aan de keukentafel aan mijn roman terwijl het nog donker was.

Ik luisterde naar aritmische composities van Ryuichi Sakamoto om wel iets te horen maar niet afgeleid te worden en ik dronk geroosterde groene thee uit Japan, omdat dat toen mijn smaakje was. Nog lang nadat mijn manuscript voltooid was bleef ik bij de thee. Na de Japanse geroosterde groene thee was het een tijdje oolong. Ik ben heel lang op zoek geweest naar een specifiek merk oolong thee waar ik ooit een keer een doosje van gekocht had in Brussel maar daarna nergens meer kon vinden. Toen ik weer terug kwam in Brussel twee jaar later heb ik alles op alles gezet om die winkel weer te vinden en daar toen meteen alle doosjes van dat merk gekocht die ze hadden liggen. Het smaakte toen natuurlijk toch minder dan ik me kon herinneren.

Daarna was het weer Lapsang en op een gegeven moment was het allemaal aryuvedische kruidenthee die mijn hart bekoorde en mijn mok sneller deed kloppen, en op dit moment zit ik diep in de jasmijnthee.

Ik ben geen purist, noch een snob. Zakjes, blaadjes, I don't give a fuck. En koffie is ook gewoon weer welkom in mijn leven. Maar cremeer me straks met dat bronzen theelepeltje met de afbeelding van Shiva in mijn binnenzak. Het ligt nog altijd in mijn keukenla.

  • Tagged: